maandag 21 maart 2016

Tom Perrotta














Buzzy, de bassist, had een rijbewijs dat was ingenomen, dus Dave ging langs zijn huis op weg naar het woensdagavondoptreden. Buzzy was kwaliteitscontroleur bij een bedrijf dat prostaatapparaten produceerde, en woonde met zijn vrouw en twee kinderen in een straat met min of meer identieke split-level woningen die vast en zeker opwindend waren in de dagen voor de British Invasion, toen Kennedy nog president was en Elvis de king. Buzzy was het enige lid van het bruiloftsorkest dat getrouwd was, een feit waarvan de ironie niet aan de aandacht ontsnapt was van zijn medemuzikanten. Artie, de saxofonist en manager, had het net uitgemaakt met een meisje dat danste in Jiggles. Stan, de drummer en accordeonist af en toe, slaapwandelde door een pijnlijke scheiding. Ian, de zanger/toetsenist en allround showman, woonde thuis bij zijn ouders, net als Dave die slaggitaar en achtergrondvocalen verzorgde.  
     Buzzy wachtte op de stoep, een magere vent met een paardenstaart in een smoking en een cap van de Yankees, met een biertje in zijn ene hand en een gitaarkoffer in de andere. Hij stouwde zijn bas op de achterbank, bovenop Dave’s Les Paul, en klom naar binnen.
     “Daverino,” zei hij, proostend met zijn bierblik.
     “Buzzmaster.”
     Dave schakelde naar zijn een en ging op weg naar Central Avenue. De stilte in de auto was sloom, ongecompliceerd. Buzzy nam een teug uit het blik en smakte met zijn lippen.
     “Yep. Weer een woensdagavondoptreden.”
     “Ben je er klaar voor? De mensen rekenen op je.” 
     Buzzy dacht er even een paar seconden over na en knikte toen.
     “Chef,” zei hij, “ik ga me helemaal in de vernieling spelen.”


Tom Perrotta | The Wishbones.  Berkley, 1997. Vertaling fragment Wiebren Rijkeboer

Geen opmerkingen:

Een reactie posten